| Dit artikel: Applicatie-integratie en de Service Oriented Architecture |
Flexibele én geïntegreerde software |
Applicatie-integratie wordt goedkoper, bestaande systemen
blijven langer in de lucht Web services stap in evolutie Voor de gebruiker is het al jaren duidelijk: De ideale bedrijfssoftware bestaat uit leveranciers-onafhankelijke ‘legosteentjes’. Met dat soort lego kun je namelijk elk bedrijfsproces ondersteunen, door de daarvoor benodigde steentjes plug-and-play op elkaar te klikken. Alle problemen rond flexibilisering en applicatie-integratie zijn daarmee verleden tijd. Markeert de introductie van het fenomeen web services het begin van het legotijdperk? Nee, maar het is wel de volgende stap in een langzame evolutie daar naar toe. Dit artikel verklaart het fenomeen web services, en legt het verschil uit tussen software-integratie op de 'traditionele' manier, via een centraal softwareplatform voor Enterprise Application Integration (EAI), en software-integratie via een business proces platform (BPP), dat gebruik maakt van web services technologie. |
|
|
Door Dr Ir Jaap van Ede, business-journalist & initiatiefnemer procesverbeteren.nl
Dit artikel verscheen in vakblad CA Techniek (2003) Bedrijfsprocessen veranderen voortdurend, bijvoorbeeld omdat bedrijven elkaar overnemen of omdat ze gaan samenwerken. Die veranderlijkheid vraagt om dynamische bedrijfssoftware. ERP-leverancier SAP
noemt het xApps, CRM-leverancier Siebel noemt het Universal Application Network,
en Microsoft spreekt van DotNet (.Net). Daartoe kunnen de bedrijfsprocessen het beste worden gemodelleerd en onderhouden op een overkoepelend niveau. Dus, zonder te kijken naar de onderliggende applicatiesoftware voor Enterprise Resource Planning (ERP), Customer Relation Management (CRM) en Supply Chain Management (SCM). De afhandeling van een bedrijfsproces, bijvoorbeeld het accepteren van een order, verloopt dan als volgt: Een programmaatje dat dit bedrijfsproces beschrijft, activeert de daartoe benodigde delen van de onderliggende softwareapplicaties. Bijvoorbeeld eerst een module uit een systeem voor klantbeheer, en daarna de verkoopondersteuning uit een ERP-pakket. Dynamiek Nieuw is dit lego-ideaal, dat sinds kort wordt aangeduid met de term Enterprise Services Architecture (ESA), niet. Wél nieuw is, dat dit nu niet alleen door de klant, maar ook door de softwareleveranciers wordt beleden. Nog maar enkele jaren was het immers normaal om tijdens een ERP-implementatie te spreken van een ‘fixed scope’. Met andere woorden: wijzigingen in de bedrijfsprocessen waren tijdens (en zelfs na!) de invoering van het systeem taboe. Een ander nieuw aspect is, dat bedrijven voortaan alleen díe softwarefunctionaliteit hoeven bij te kopen die echt nodig is. ‘Nieuwe bedrijfsprocessen kunnen ook worden ondersteund met bestaande software’, aldus Shai Agassi, lid van de raad van bestuur van SAP. Bij de introductie van J.D.Edwards 5 in juni vorig jaar meldde Onno Draaisma, algemeen directeur Benelux bij J.D.Edwards: ‘ERP-systemen leken tot voor kort op spaghetti. Omdat je die niet kunt ontwarren, moest je als klant altijd het gehele systeem kopen. Nu hoeft dat niet meer. Wij bieden nu de keuze uit driehonderd ingrediënten die je als macaroni kunt mixen.’ En er is nog meer nieuws: voor het eerst zijn alle softwareleveranciers het eens over de technologie die het lego-ideaal mogelijk moet maken. De nieuwe naam hiervoor, enterprise service architecture, verwijst naar een systeem waarbij softwarebouwstenen elkaars diensten via het web, dus via webservices, aanroepen. Applicatie integratie Voorbeelden van EAI-systemen zijn IBM’s
Websphere, Webmethods, Tibco, Seebeyond en Microsoft’s Biztalk Server.
Evolutionair gezien kom je door het gebruik van EAI-software al een behoorlijk
eind in de richting van het legosteen ideaal. Bij EAI worden alle
softwareapplicaties echter met elkaar verbonden via één softwarepakket. Dit
EAI-pakket fungeert dus als een ‘centrale legosteen’, waarop alle applicaties
passen. De koppeling tussen een software-applicatie en het EAI-pakket komt tot
stand via een connector. Die vertaalt de berichten uit de betreffende
applicatie naar een standaardformaat en weer terug. De EAI-software vormt binnen
het stervormige netwerk dat zo ontstaat het knooppunt, en leidt het
berichtenverkeer in goede banen, zie figuur 1. Het succes van de EAI-software heeft te maken met het feit, dat je bij zo’n systeem diverse connectoren krijgt meegeleverd. Gangbare bedrijfssystemen zoals SAP en Oracle kun je dus vrij gemakkelijk aankoppelen. EAI is een mooi en bewezen concept, maar het is nog weinig dynamisch. De bedrijfsapplicaties praten immers alleen via het EAI-pakket met elkaar. Rechtstreekse communicatie tussen de software-applicaties, dus zonder EAI-software, is in theorie mogelijk door webservices te gebruiken. Dit betekent, althans op papier, de verwezenlijking van de legosteen-gedachte. Dit verklaart de ophef rondom dit onderwerp. Revolutie Het gebruik van
webdiensten heeft tenminste twee voordelen boven de gangbare technieken voor
software-integratie. Ten eerste kan een webdienst vanuit elke
software-applicatie worden aangeroepen, hetzij via een bedrijfsintern netwerk,
hetzij via het internet. Ten tweede kunnen computerprogramma’s die via een
webdienst met elkaar zijn verbonden, meer dan alleen gegevens uitwisselen. Ze
kunnen ook direct op elkaar reageren, bijvoorbeeld om de vraag: ‘wat is het
voorraadniveau van product X’, te beantwoorden. Met webdiensten kun je dus
gedistribueerd berekeningen (laten) uitvoeren, zie figuur 2. Dit is
noodzakelijk om zaken als collaborative planning en vendor managed
inventory, onderdelen van supply chain management, mogelijk te maken. Standaarden De twee standaarden die beschrijven hoe een webdienst eruit ziet, worden inmiddels breed geaccepteerd. De eerste norm is het Simple Object Access Protocol (SOAP), een op XML gebaseerd communicatieprotocol waarmee je op afstand softwarefuncties kunt aanroepen. De tweede norm is de Web Service Definition Language (WSDL), een taal waarmee wordt beschreven wat een webdienst doet. Webdiensten vormen op zich echter niet meer dan een intelligente interface tussen twee softwaresystemen. Om tot software-integratie te komen is er extra software nodig. Een gebied waarop nog veel werk verzet moet worden is de reliability, denk hierbij aan protocollen voor het controleren van het berichtenverkeer. En verder ontbreekt nog een standaard voor het overkoepelende besturingssysteem, dat reeds werd genoemd in de inleiding. Met zo’n business proces management systeem (BPM) kun je aangeven welke webdiensten bij een bepaald bedrijfsproces horen, en wanneer de betreffende ‘legostenen’ in actie moeten komen. Bij de uitvoering van een bedrijfsproces speelt het BPM een softwareprogrammaatje af, dat de juiste webservices activeert. Bovendien zorgt het BPM ervoor, dat berichten worden vertaald naar een vorm die voor de aangeroepen webdienst begrijpelijk is. Orkestratie Bedrijven kunnen echter pas bedrijfsprocessen delen als hun BPM dezelfde taal spreekt. Daarom moet er een universele programmeertaal worden ontwikkeld waarmee je bedrijfsprocessen kunt modelleren, de zogenaamde orkestratiestandaard. Eén van de talen die meedingt bij de selectie van een orkestratiestandaard, is de Business Proces Execution Language for Web Services (BPEL4WS) van IBM en Microsoft. Daarnaast zijn nog ‘in de race’ de Web Service Choreography Interface (WSCI) van Sun, en de door een consortium van leveranciers ontwikkelde Business Proces Modelling Language (BPML). DotNet Volgens de marketingtaal van Microsoft, die inmiddels zelfs via de TV-reclame weerklinkt, is .Net bedoeld om ‘mensen, informatie, softwaresystemen en apparaten tot elkaar te brengen’. Dit maakt duidelijk dat Microsoft met de webdiensttechnologie niet alleen mikt op applicatie-integratie. Het softwarebedrijf voorziet een wereld waarin apparaten zoals PC’s, mobiele telefoons en koelkasten voortdurend on-line zullen zijn, en dan via het internet met elkaar zullen communiceren. Luchtballon Nee, want toepassingen zijn er wel. Hierbij
gaat het vooral om reserverings- en besteldiensten bij reisbureaus, postorder-
en internetbedrijven, boekhandels, overheids- en financiële instellingen, of om tracking-systemen waarmee klanten via het internet kunnen achterhalen
wanneer hun product wordt afgeleverd. Eén van de uitzonderingen is Stork N.V. Dit bedrijf liet onlangs een .Net applicatie bouwen door Microsoft-partner VX Company. De applicatie heet Working Capital Program en fungeert als een web-portaal. Dankzij dit portaal kan het werkkapitaal binnen de verschillende Stork-bedrijven met elkaar worden vergeleken. Dit gebeurt aan de hand van Key Performance Indicatoren voor uitgaande facturen, inkomende facturen en onderhanden werk. De verschillende ERP-systemen van Stork geven via een interface de benodigde gegevens door. Knooppunt Akzo Nobel Coatings implementeerde in 2001 een ‘messaging hub’. Dit is een knooppunt op het web, dat enerzijds de ERP-systemen van Akzo Nobel Coatings verbindt met die van haar toeleveranciers, en anderzijds de berichten vertaalt van het ene naar het andere formaat. Het betreffende project heet pAccess, oftewel ‘Procurement Akzo-Nobel Coatings Common Electronic Sourcing Support’. Als basis voor het systeem diende BizTalk, het EAI-pakket van Microsoft.
Jouke Eijssen, supply chain projectmanager bij Akzo Nobel Coatings: ‘Met pAccess wilden we twee zaken realiseren. Ten eerste wilden we één centraal contactpunt opzetten voor de gegevensuitwisseling met onze toeleveranciers. Ten tweede wilden we daarbij een laagdrempelige webinterface opzetten, die het onze toeleveranciers mogelijk maakt om zonder kosten elektronisch met ons te communiceren.’ Naast een website omvat pAcces een aantal internetopties die directe communicatie tussen ERP-systemen mogelijk maken. ‘De manier waarop dat gebeurt komt technisch overeen met het gebruik van webdiensten, hoewel wij formeel geen gebruik maken van het SOAP-protocol’. Twee typen inkoopprocessen kunnen via pAcces worden ondersteund. De eerste optie is e-catalog. Hierbij bestellen Akzo Nobel-medewerkers producten uit een aantal elektronische catalogi. De tweede mogelijkheid is vendor managed inventory (VMI). Toeleveranciers controleren dan via pAccess, of de voorraad van hun product bij Akzo Nobel Coatings nog voldoende is, en vullen die voorraad zonodig aan. Bij het realiseren van VMI via pAccess zijn inmiddels al twintig fabrieken van Akzo Nobel Coatings en dertig toeleveranciers betrokken. ‘Nu pAcces twee jaar in de lucht is worden de voordelen voor ons zichtbaar. Minder voorraden in de keten, minder transportkosten, en een veel eenvoudiger administratie’, besluit Eijssen. Onvolwassen ERP leverancier SAP
biedt via het integratieplatform NetWeaver ondersteuning voor de implementatie
van webservices. Robbert Haakmeester, productconsultant webportals bij SAP
Nederland: ‘Een van de grootste uitdagingen bij het succesvol maken van
webservices, is het geschikt maken van bestaande systemen en applicaties voor
deze nieuwe vorm van gegevensuitwisseling. Dit gaat gepaard met hoge kosten. Dit
is, samen met de onvolwassenheid van de technologie, een van de belangrijkste
redenen voor bedrijven om terughoudend met de invoering van webservices om te
gaan. Webservices worden pas een succes, als ze Bij de introductie van het begrip webdiensten lag het accent op bedrijfs-externe software-integratie. Op dit moment is verschuift de aandacht echter naar software-integratie bínnen bedrijven. Door hierbij webdiensten te gebruiken kan dit flexibeler en goedkoper, zo is het idee. En dat is in deze tijd van economische malaise zeer welkom. Enterprise Service Bus ESB lijkt vooral geschikt voor omgevingen
waarbij integratie met legacy-systemen geen grote rol speelt. ESB-leveranciers
claimen niet alleen goedkoper te zijn dan EAI-leveranciers (dit klopt), maar ook
dat het gemakkelijker is om hun systemen onderling te verbinden omdat ze volgens
een standaardmethode (de webdiensttechnologie) werken. Die laatste claim lijkt
echter twijfelachtig. Immers, zolang er geen orkestratiestandaard is voor het
‘afspelen’ van bedrijfsprocessen via webdiensten, zal elk ESB-pakket hiervoor
zijn eigen methode hanteren. |
|
|
© C.J. van Ede 2006-2010 (Holland) |
Laatste update: 13-01-2010 |